Vragen en opdrachten

Onderstaande aanwijzingen zijn ooit gemaakt voor een specifieke lessenserie en zullen en kunnen van plaats en tijd sterk verschillen. Om een indruk te geven laten we ze staan. Overigens, een serie antwoorden is ook op de site aanwezig. Succes met zoeken, nadenken, schrijven en nakijken/overdenken.

Wanneer je onderstaande vragen gaat maken zorg dan voor volledige antwoorden in fatsoenlijk Nederlands. Iedere docent geeft verder eigen aanwijzingen waar deze antwoorden kunnen worden geplaatst (van schrift tot elektronische leeromgeving).

Bij iedere vraag staat een letter. K staat voor Kennisvraag, D staat voor Denkvraag en Z staat voor Zoekvraag.
Kennisvragen staan vaak letterlijk in de tekst van het hoofdstuk. Om het antwoord te vinden moet je de tekst goed lezen.
Denkvragen moet je beantwoorden met de kennis die in de les en/of tijdens het doornemen van de leerstof via de site hebt opgedaan. Het antwoord vergt wel het nodige denkwerk omdat het niet letterlijk in de tekst staat. Soms vindt een leerling dit vermoeiend en krijgt de neiging om zo'n vraag dan maar over te slaan. Dit is dus niet toegestaan. 
Zoekvragen zijn vragen waarvan het antwoord elders moet worden opgezocht, bijvoorbeeld in kranten en tijdschriften (al dan niet on-line) of op websites. Bij het antwoord moet de bron zo nauwkeurig mogelijk worden vermeld!

TIP: Klik bovenin deze site op "links". In het gedeelte "nieuws en actualiteiten" vind je een paar sites die je waarschijnlijk goed kan gebruiken.

Zo, na deze korte uiteenzetting en de eventuele toelichting van je docent(e) is alles duidelijk. Aan het werk en veel succes!


1. D. Wat is de hoofdvraag van de eerste paragraaf van dit hoofdstuk?

2. K. Wat zijn de vier taken van de koningin?

3. K. Wat is eigenlijk de hoofdvraag van heel hoofdstuk 3? 

4. Z. Zoek een voorbeeld van een situatie uit de laatste jaren waarbij de minister-president tegen de koningin zei dat 'iets' beter niet kon doen.

5. D. Geef in het kort jouw mening (met argumentatie) of je voor of tegen een gekozen president / erfelijk koningschap bent. Met andere woorden, waar gaat je voorkeur naar uit: een koningin of een president als staatshoofd in Nederland?

6. D. Lees de artikeltjes uit de dagbladen die op dit hoofdstuk betrekking hebben. Maak van ieder artikeltje een samenvatting van circa 5 regels. Uit die samenvatting moet iemand anders, die de artikeltjes niet kent, toch de inhoud kunnen opmaken.

7. Z. Knip uit een van de dagbladen (of print een on line artikel) dat betrekking heeft op de stof van dit hoofdstuk. Noteer op het artikel (of de uitdraai) de naam en datum van de bron en zorg dat je in circa 5 regels een samenvatting op papier zet. Bewaar het artikel. Uit die samenvatting moet iemand anders, die de artikeltjes niet kent, toch de inhoud kunnen opmaken.

Artikel: Beste plek langs de route

Artikel: "Vorstin bij onthulling slavernijmonument"

Artikel: "Koningin met Maxima naar ArgentiniŽ"

Artikel: "Onze monarchie stevent af op het Zweedse model"

Artikel: "Ook Koninklijk Huis moet het met minder doen"

Artikel: "Kantoor koningin valt onder premier"

Artikel: "Alexander en Maxima naar de Antillen"

Artikel: "Vrouw lijfwacht blijkt de 'mol' aan het hof"

Artikel: "Koningin nodigt 4000 mensen uit"

Artikel: "Balkenende past regels Koninklijk Huis niet aan"

Artikel: "Een republiek van niks"

8. HOOFDVRAAG 4. Je hebt H3 nu doorgenomen. Wie heeft er naar jouw idee nu de meeste invloed op het bestuur van Nederland? Je kunt kiezen uit het volgende rijtje en probeer je antwoord in circa 5 regels toe te lichten. We noemen dit de rode draadvraag omdat in ieder hoofdstuk deze vraag wordt gesteld. Hoe meer hoofdstukken je hebt doorgenomen des te vollediger je deze vraag kan beantwoorden!
a. De Koningin
b. De kroonprins
c. Het volk van Nederland

9. HOOFDVRAAG 5. Heb je inmiddels H1 en 2 ook doorgenomen dan is het heel verstandig om vr 10 van H2 in je antwoord te betrekken. Wie heeft er nu naar jouw idee de meeste invloed op het bestuur van Nederland? Je kunt kiezen uit het volgende rijtje en probeer je antwoord in circa 5 regels toe te lichten. We noemen dit de rode draadvraag omdat in ieder hoofdstuk deze vraag wordt gesteld. Hoe meer hoofdstukken je hebt doorgenomen des te vollediger je deze vraag kan beantwoorden!

a. een willekeurige minister
b. de minister van FinanciŽn
c. een willekeurige staatssecretaris
d. een minister zonder portefeuille
e. de minister-president
f. de ministerraad
g. het kabinet
h. de secretaris-generaal

i. de Tweede Kamer
j. de Eerste Kamer
k. het parlement

l. De Koningin
m. De kroonprins
n. Het volk van Nederland

Heb je alles gemaakt? Controleer hier je antwoorden!