Het parlement controleert

Sinds 1848 heeft het parlement drie rechten. Met behulp van deze drie rechten kan het parlement de ministers controleren. We gaan die drie rechten eens stuk voor stuk bekijken.


1. Het recht van interpellatie
Interpellatie betekent ondervragen, aan de tand voelen. Als een lid van de Tweede of de Eerste Kamer vindt dat de minister een verkeerd beleid voert, dan kan hij de minister hierover aan de tand voelen.
Dit gaat als volgt. Eerst moet dit kamerlid van de meerderheid van zijn Kamer toestemming krijgen om de minister te interpelleren. Is dat het geval dan moet vervolgens de minister reageren. De minister is dus verplicht om antwoord te geven.
Als een kamerlid vindt dat het antwoord van de minister onduidelijk is, of de minister zegt dat hij niet van plan is om zijn beleid te gaan veranderen, dan wordt het interessant. Het kamerlid kan het er verder bij laten zitten en genoegen nemen met dit antwoord, maar hij kan ook iets anders gaan doen. Het kamerlid kan namelijk ook besluiten om een zogenaamde motie van orde in te dienen in zijn Kamer.

Artikel: "Kamer wil overzicht van alle bouwplannen"

Artikel: "Politici weerspreken conclusies NIOD"

Een motie van orde heeft de bedoeling om de minister duidelijk te maken dat hij snel zijn beleid moet gaan veranderen. Als het kamerlid deze motie indient in zijn Kamer en de meerderheid van zijn Kamer is het met die motie eens dan wordt deze motie aangenomen. We zeggen ook wel dat de motie dan is goedgekeurd. De laatste jaren worden er een kleine 1000 moties per jaar ingediend. Zo hier en daar begint men dat wat al teveel van het goede te vinden. Het mes wordt wel een beetje bot op die manier!

De minister kan dan twee dingen gaan doen. De minister kan denken: "Tja, er zit wel iets zinnigs in deze motie, de Kamer heeft eigenlijk wel gelijk, laat ik ze maar hun zinJournalisten op het Binnenhof geven." Is dat het geval, dan is er verder niets aan de hand en gaat het politieke leven weer rustig verder. Maar een minister kan ook iets heel anders denken: "Wat een onzin is dat nou, ik weet precies wat goed is voor Nederland. Ik trek me niets van die motie aan en ga verder mijn eigen gang." Is dat het geval dan wordt het spannend in Den Haag. Voor de heren journalisten wordt het dan een drukke tijd, want er is volop voorpaginanieuws.

Op welke manieren kan de Kamer vervolgens reageren op de minister? Ook nu weer op twee manieren. De Kamer kan denken: "Het is wel vervelend dat de minister niet naar ons luistert, maar ach, het is zo'n goede minister, laten we het er verder maar bij laten zitten." Is dat het geval, dan is er verder niets aan de hand en gaat het politieke leven weer rustig verder. In de krant lees je dan de volgende dag dat er een kleine aanvaring is geweest tussen de Kamer en de minister.
Maar de Kamer kan ook anders reageren: "Wat zullen we nu krijgen? Een minister die niet naar ons luistert? Dat pikken we niet!" Is dat het geval, dan wordt het echt interessant. Een kamerlid kan dan namelijk besluiten om opnieuw een motie in te dienen. Dit keer een motie van afkeuring, soms ook wel motie van wantrouwen genoemd. De benaming is duidelijk. De Kamer vertrouwt de minister niet meer, de Kamer keurt het beleid van de minister af.
Als een dergelijke motie door de meerderheid van de Kamer wordt aangenomen, dan is het lot van de minister bezegeld. In Nederland is het dan de gewoonte dat de minister opstapt en zijn ontslag indient bij de premier. We spreken dan van een ministerscrisis. Als zijn collega-ministers de kant kiezen van de minister en ook besluiten om af te treden, dan spreken we van een kabinetscrisis. De minister-president dient dan zijn ontslag in bij de Koningin. Het hele kabinet stapt dan op.

Natuurlijk loopt het meestal zo'n vaart niet. Meestal geven minister en de Kamer elkaar een beetje toe. Dat noemen we dan een compromis. Je ziet dus dat het recht van interpellatie grote gevolgen kan hebben. Kamerleden maken vaak gebruik van het recht van interpellatie. Een ander recht waar ze gebruik van kunnen maken is het volgende.


2. Het recht van enquête
Dat is het recht van de Tweede en de Eerste Kamer om, buiten de regering om, een onderzoek in te stellen naar bepaalde toestanden.
Dit onderzoek wordt dan gedaan door een speciaal hiervoor ingestelde Kamercommissie, waarin leden van de Kamer zitten. Wel moet de meerderheid van de Kamer eerst de enquête hebben goedgekeurd.
In 1947 was er een enquête naar het beleid van de regering in de Tweede Wereldoorlog, in 1983 een enquête naar het beleid van de regering inzake de steun aan de scheepswerf Rijn-Schelde-Verolme en in 1987 een enquête naar fraude met subsidies in de bouwwereld. Je ziet wel, dat van dit recht niet vaak gebruik wordt gemaakt door de Kamer. Alleen bij echt heel belangrijke en ingewikkelde zaken. In de jaren '90 zijn er nog enkele enquêtes gehouden. Je zou kunnen zeggen dat er de laatste 20 jaar veel meer enquêtes worden gehouden dan daarvoor. Anno 2002 wordt er zelfs aan 2 enquêtes gewerkt.
Een ander recht waar wel heel vaak van gebruik wordt gemaakt is het volgende.

Artikel: "D-66 lid Bakker leidt enquête Srebrenica"


3. Het vragenrecht
In de loop der jaren is dit recht gegroeid. Alleen de Tweede Kamer kent een vragenuurtje en dus het recht en de mogelijkheid om mondeling vragen te stellen. Verder heeft ieder kamerlid, dus ook een lid van de Eerste Kamer, het recht om schriftelijk vragen te stellen aan een minister of staatssecretaris. Een kamerlid heeft dan geen toestemming nodig van de meerderheid van zijn Kamer. Bij een interpellatie kan een volledig debat worden gehouden en kunnen moties worden ingediend, tijdens het vragenuur kan dit allemaal niet. Een interpellatie kan ook worden gehouden over een onderwerp dat niet op de agenda van de Kamer staat, bij het vragenrecht is dat niet de bedoeling.

Artikel: "De Wit (SP) weer de nieuwsgierigste"

Tot zover de drie rechten van de Tweede en de Eerste Kamer die dienen om de controlerende taak van het parlement uit te kunnen voeren. We gaan nu eens kijken naar de andere taak van het parlement, namelijk de medewetgevende taak.