De medewetgevende taak van het parlement

In de vorige paragraaf heb je kunnen lezen dat het parlement, dus de Tweede en de Eerste Kamer het beleid van de ministers controleert.
Ministers moeten zich verantwoorden tegenover het parlement. Dit noemen we ministeriële verantwoordelijkheid. Leer dit begrip heel goed, want het is heel belangrijk. Om nieuwe wetten te kunnen uitvoeren moeten ministers toestemming hebben van het parlement. Ministers mogen plannen bedenken, maar een definitieve beslissing wordt alleen maar genomen door het parlement.

Je ziet dat het parlement dus niet alleen controleert, maar ook een medewetgevende taak heeft. Om deze hoofdtaak goed uit te kunnen voeren beschikt het parlement over vier rechten.

1. Het recht van goedkeuring en afkeuring (dit heet eigenlijk het instemmingsrecht)
Dit is het recht van de Tweede en de Eerste Kamer om wetsvoorstellen van de minister goed te keuren of af te keuren. Om precies te zijn, eerst moet het wetsvoorstel (ook wel wetsontwerp genaamd), door de Tweede Kamer zijn goedgekeurd en vervolgens ook nog eens door de Eerste Kamer. Pas als dat is gebeurd is het wetsontwerp aangenomen en kan de minister het wetsontwerp, nu dus een nieuwe wet, gaan uitvoeren.

Artikel: "Kritiek op mening D66 over aanpak terrorisme"

2. Het budgetrecht
In het vorige hoofdstuk heb je geleerd dat een minister verplicht is om voor al zijn nieuwe plannen voor het volgend jaar een begroting op te stellen. Al die plannen worden verzameld en komen in de Rijksbegroting.
In de Rijksbegroting staat dan ook hoeveel geld al die plannen moeten gaan kosten. Zoals het parlement het recht heeft om een plan van de minister goed te keuren of af te keuren, zo kan het parlement hetzelfde doen met de begroting van een minister.
Dit recht om de begroting van een minister goed te keuren of af te keuren noemen we het budgetrecht. Een afkeuring van de begroting van een minister is een uiterste middel om een minister te dwingen om op te stappen. Er wordt dan ook bijna nooit gebruik van gemaakt.

Artikel: "Kamer keurt pakket bezuinigingen goed"

De volgende twee rechten heeft alléén de Tweede Kamer tot zijn beschikking.

3. Het recht van amendementHet gebouw van de Tweede Kamer
Amendement betekent verbetering. De leden van de Tweede Kamer hebben het recht om een wijziging aan te brengen in een wetsontwerp van een minister. Dit is een zeer belangrijk recht. Dit gaat als volgt.
Een minister stuurt een nieuw wetsontwerp naar de Tweede Kamer. De Tweede Kamer bespreekt dit en ieder kamerlid heeft dan het recht om een amendement voor te stellen. Krijgt zo'n amendement bij de stemming meer dan de helft van de stemmen dan is het amendement aangenomen. Zoals juist gezegd mag ieder Tweede Kamerlid een amendement indienen, hij moet dan wel de handtekeningen van vijf medekamerleden hebben. Nadat alle amendementen zijn behandeld komt het hele wetsontwerp in stemming, wordt dit door de meerderheid aangenomen, dan gaat het wetsontwerp naar de Eerste Kamer. De Eerste Kamer heeft niet het recht om amendementen aan te nemen en mag dus alleen maar het hele wetsontwerp in één keer goed of afkeuren.
Van het recht van amendement wordt heel vaak gebruik gemaakt. Door een amendement bijvoorbeeld werd het vak Frans verplicht gesteld in de brugklas en werd het vak staatsinrichting gecombineerd met het vak geschiedenis.

Nu gebeurt het wel eens een enkele keer dat een kamerlid een amendement heeft ingediend en dat de minister dit amendement helemaal niet ziet zitten. Voordat de stemming in de Tweede Kamer dan plaats vindt gaat de minister naar de Tweede Kamer en houdt aldaar een toespraakje waarin hij zegt dat hij de Tweede Kamer ontraadt om het amendement aan te nemen.

Soms gaat de minister nog een stapje verder en zegt tegen de Tweede Kamer dat hij dit amendement 'onaanvaardbaar' vindt. Dat wil zeggen dat hij zal opstappen als de meerderheid van de Tweede Kamer het amendement aanneemt. De minister stelt dan zijn portefeuille beschikbaar. We noemen deze situatie, die niet vaak voorkomt, dan ook wel de portefeuillekwestie. Het gevolg van zo'n toespraakje kan dan wel eens zijn dat de meerderheid van de Tweede Kamer het amendement niet aanneemt omdat men geen zin heeft in een ministerscrisis. Onaanvaardbaar kan ook betekenen dat het ingediende wetsvoorstel wordt ingetrokken.

Mocht de Tweede Kamer vinden dat een minister te kort schiet met zijn wetgevende taak, dan kan de Tweede Kamer zelf met een plan komen.

4. Het recht van initiatief
Een kamerlid zelf kan dan met een eigen wetsontwerp komen. Hij komt dan zelf met een eigen initiatief. Vandaar de naam. Indien de meerderheid van de Tweede Kamer dit eigen wetsontwerp aanneemt, dan is de minister verplicht zo'n wet uit te voeren.

Artikel: "'Nederlands steviger in Grondwet'"

Het aantal initiatiefwetten is niet groot. Wel zijn er heel bekende onder, zoals de wet van Houten tot het verbod van kinderarbeid uit 1874 en de wet Marchant tot invoering van het vrouwenkiesrecht uit 1919.

Hopelijk vergeet je nu niet meer wat de twee hoofdtaken van het parlement zijn. Hopelijk vergeet je nu ook niet meer welke zeven rechten aan de Tweede Kamer en welke vijf rechten aan de Eerste Kamer gegeven zijn om deze twee hoofdtaken goed uit te kunnen voeren.
We zijn nu dan ook bijna klaar met ons vrij lange verhaal over het parlement. Hier kun je het nog eens rustig nakijken:

Alle begrippen op een rijtje (het 'Zorromodel+')

Ben je op deze plek aangekomen en heb je hoofdstuk 1 en 2 doorgewerkt dan is het handig om even stil te staan bij het begrip dualisme. Je bent het waarschijnlijk al eens tegengekomen in de powerpointjes van het Zorromodel en het is een heel belangrijk begrip in de Nederlandse staatsinrichting. Onder dualisme verstaan we in de Nederlandse politiek de verhouding tussen aan de ene kant het parlement (oftewel de Staten-Generaal) en aan de andere kant het kabinet (of iets nauwkeuriger: de regering). Regering en Staten-Generaal hebben ieder eigen taken en een eigen verantwoordelijkheid en de een is niet gesteld boven de ander (dwz de een is niet machtiger dan de ander). Sommige leerlingen onthouden dit woord dualisme door te denken aan een duel tussen twee personen. Dat mag, als je maar bedenkt dat er tussen parlement en regering veel meer sprake is van samenwerking dan van tegenwerking! Beleid en wetgeving moeten in Nederland door 'onderling overleg' geregeld te worden. Maar…. Mocht er ruzie zijn tussen regering en parlement, we noemen dat dan 'onherstelbaar verschil van inzicht' , dan is het uiteindelijk toch het parlement dat aan het langste eind trekt. Natuurlijk kunnen we hier dieper op ingaan, dat is heel interessant maar doen we niet. Wel is het handig om de laatste artikelen van dit hoofdstuk even te lezen (zie In de vergaderzalen).