Politieke stromingen en politieke partijen

In de vorige eeuw waren er nog geen politieke partijen in Nederland.
Wel waren er drie politieke stromingen: groepen mensen met ongeveer dezelfde opvatting over hoe het land bestuurd zou moeten worden. Zo'n zelfde opvatting over hoe het land bestuurd moest worden werd vaak veroorzaakt doordat met tot een bepaalde groep behoorde in de maatschappij. Rijke fabrikanten en ondernemers behoorden in de 19e eeuw vaak tot de liberale stroming, arbeiders voelden zich vaak thuis bij de socialistische stroming. Hoewel. Katholieke arbeiders en protestantse arbeiders kozen er vaak voor om bij de confessionele (godsdienstige) stroming te horen. Je ziet al meteen dat dit eenvoudige schoolschema door de historische werkelijkheid veel ingewikkelder in elkaar stak. Maar dat is van later zorg. Eerst nog maar eens de 3 stromingen bekijken.

1. een liberale stroming
De liberalen waren, en zijn nu nog, voorstanders van vrijheid op persoonlijk en economisch gebied. Zij willen fabrieken en grondstoffen in handen zien van particulieren en niet in handen van de staat. Doel is het maken van winst, waardoor arbeid, werkgelegenheid, koopkracht en welvaart ontstaan. Uit deze stroming kwam de VVD voort, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.

2. een confessionele stroming
Confessie is een ander woord voor godsdienst. Het handelen in de politiek moet dus gebaseerd zijn op de godsdienst, op de Bijbel. In Nederland is de godsdienst van oudsher het christendom. Het christendom bestaat uit twee hoofdrichtingen, het katholicisme en het protestantisme.
Uit de confessionele stroming ontstonden drie confessionele politieke partijen, die ieder hun eigen krant, eigen radio-omroep en eigen televisiestation hadden en voor een deel nog hebben.
De confessionelen sloten zich op in hun eigen levenssfeer en sloten anderen buiten. Het kwam voor dat confessionelen boodschappen deden bij hun 'eigen' bakker, kruidenier enz. Dit verschijnsel noemen we verzuiling. Vanaf het midden van de jaren '60 nam de ontkerkelijking in Nederland sterk toe, mede daardoor nam de verzuiling sterk af (en nam de ontzuiling sterk toe).
Uit de confessionele stroming kwamen de ARP (de Antirevolutionaire Partij), de CHU (de Christelijke Historische Unie) en de KVP (de Katholieke Volkspartij) voort. Deze drie grote christelijke partijen zijn opgegaan in één grote politieke partij, het CDA (het Christen Democratisch Appèl).

3. een socialistische stroming
Socialisten zijn voorstanders van de gelijkheid van de mensen. Zij willen daarom nivelleren, de verschillen tussen de mensen verkleinen.
Zij zijn tegenstanders van het kapitalisme. Zij zijn er dus tegenstander van dat de productiemiddelen (fabrieken, grondstoffen en arbeiders) in handen zijn van rijke fabrikanten. Deze productiemiddelen zien ze liever in handen van de staat. Dan zullen de tegenstellingen tussen de rijke en de arme klassen vanzelf verdwijnen en zullen er gelijke kansen komen voor iedereen is de gedachte. Zij zijn dus voor staatsbemoeienis en voor de verzorgingsstaat. Dit laatste wil zeggen een verzorgen van de wieg tot het graf. Socialisten zijn ook tegenstander van het koningsschap. Zij zijn dus voorstander van een republiek. Een land dus met een gekozen staatshoofd.
Uit de socialistische stroming kwamen de SDAP, de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, die na de Tweede Wereldoorlog opging in de PvdA (de Partij van de Arbeid), de PSP (de Pacifistische Socialistische Partij) en de CPN (de Communistische Partij van Nederland) voort.